Hij kijkt nog één keer achterom voordat hij op zijn fiets stapt. Door de vieze ramen ziet hij zijn vrouw zitten, in de stoel naast het eikenhouten dressoir. Zijn dochter ertegenover, in het kale kuipstoeltje, haar ellebogen op haar bovenbenen, haar hoofd in haar handen. Hij kan ze uittekenen zo. Zijn witte hondje zit met haar neus tegen het raam in de vensterbank en kijkt hem met een verlangende blik in haar ogen na.

Hij zucht, trekt het klemmende tuinhek open en fietst de poort uit. Het voelt zich iedere dag schuldig als hij zijn hondje achterlaat. Het beestje kan niet zoals hij een paar uur ontsnappen. 

Lang hoefde hij niet na te denken, toen het UWV met een vrijwilligersbaan op de proppen kwam: dagelijks om tien uur en half drie koffie schenken in de aula van het verzorgingshuis in de wijk. Liever had hij plantsoendienst gehad, lekker in de frisse lucht, of als chauffeur aan de slag gegaan, erop uit, maar alles is beter dan nog langer thuiszitten. Toen zijn baas van het garagebedrijf waar hij werkte, failliet ging, vond hij geen nieuw werk. ‘Zevenenvijftig hè, dan kom je niet meer aan de bak.’

Thuis betekent constant alert zijn, hoe stiller zijn vrouw is, hoe meer hij op zijn hoede moet zijn. Want in haar hoofd is het dan des te drukker. Loeidruk, met waangedachten, wantrouwen, somberheid en agressie. Dan denkt ze dat ‘ze’ achter haar aanzitten, dat ‘ze’ straks voor de deur staan of dat ze hem niet kan vertrouwen. De ene keer maakt ze daar ruzie om, de andere keer zit ze stilletjes te huilen. Ze laat zich dan niet troosten. Ze is verschillende keren opgenomen geweest, maar pas nadat ze de boel kort en klein had geslagen. Een ravage was het, ze heeft ongekend veel kracht als ze in zo’n staat is. Hij koopt nooit iets nieuws. Alles in huis komt van De Kringloop of Marktplaats. Als hij eerlijk is, nog vaker gewoon van de straatkant. Spullen die anderen bij de vuilnis zetten. Hij schept er inmiddels zelfs genoegen in om langs de weg te struinen.

Toen ze na haar opname weer thuiskwam, drukte de huisarts hem op zijn hart dat ze haar medicijnen op de aangegeven tijd moest innemen. Hij knikte maar. Hij weet inmiddels dat hulpverleners en artsen toch geen oplossing weten als hij zegt dat ze ze vaak niet wil, de medicatie uit zijn handen slaat met de woorden: ‘Ik ben toch niet gek!’.  

Drie maanden geleden is zijn zevenentwintigjarige dochter weer thuis komen wonen. Noodgedwongen. Ook zij kampt met psychoses. Haar vriend wist zich geen raad, ze wilde van de ene op de andere dag niet meer eten, niet meer naar haar werk. Dood wil ze, dat zegt ze iedere dag. Rustig met haar praten lukt niet. Zijn woorden komen niet binnen of roepen nog meer negatieve emoties op. ‘Als ik hier niet mag blijven, loop ik weg,’ zegt ze dan. Geloof maar dat hij bij heel wat instanties aan de deur heeft geklopt, maar hulp wil ze niet en dus krijgt ze die ook niet, want: ze is volwassen. En dus woont ze nu bij hen, hij heeft geen keus toch? Het blijft toch je dochter. Iedere ochtend dat ze wél in de taxi stapt naar de Beschermde Werkomgeving voelt hij zich wat lichter. 

Vorige week was hij jarig. Thuis hadden ze er niet aan gedacht. In het verzorgingshuis had hij getrakteerd ,’de ouwetjes’ hadden voor hem gezongen. Dat ontroerde hem wel. Toen hij het thuis vertelde, wilde zijn vrouw alsnog taart gaan halen. Maar zo hoefde het niet van hem.

Wanhopig is hij. En doodmoe, slapen kan hij niet. Van de zorgen en omdat hij letterlijk zijn ogen open moet houden. In een psychose kan zijn dochter agressief worden.

Uitzichtloos is het. Iedere dag doet hij met angst en beven het tuinhek bij thuiskomst weer open, bang hoe hij ze aantreft. Na het eten gaat hij met zijn hondje lopen, daar praat hij dan tegen, omdat ook hij maar mens is en met iemand zijn zorgen moet delen. Zijn hondje kijkt dan weleens naar hem op, alsof ze het begrijpt. Ja, nu hij erover nadenkt: zijn hondje is de enige die er echt voor hem is.