Een bedrijvige vrijdag rond het middaguur. Rondom de grote bloemenshop, gecentreerd in het overdekte winkelcentrum, struinen vooral dames van zestig plus tussen de zwarte emmers met tulpen, gele forsythia, narcissen en de trouwe alstroemeria. Buiten is het koud, het regent pijpenstelen. Met de winterjas hooggesloten buigen ze zich over de emmers, halen bosjes eruit, keuren, zetten terug, pakken een nieuw bosje.

Twee dames, het moeten zussen zijn, dezelfde scherpe neus, smalle mond en diepe frons, kibbelen over de tulpjes.

‘Nou, ik vind het duur hoor, 2,99. Op de markt zijn ze een euro goedkoper… Nee hoor, deze hebben even lange stelen… Geel? Ik zou rood nemen, die staan langer… Dat is wél waar…’

Op het stalen bankje tegenover de bloemenwinkel zit een oudere meneer, zwarte ribbroek, groen gewatteerde jas met bruine kraag en veterschoenen. Boven zijn oren nog een randje wit haar op zijn verder kale hoofd. ‘Leuk hoor, het zo van een afstandje te bekijken, die zoekende dames,’ zegt hij. Zijn vriendelijke lichtblauwe ogen twinkelen ondeugend. ‘Er is zoveel te kiezen tegenwoordig. Ik zeg weleens: te veel keus is niet goed voor de mens.’

Zijn vrouw ‘loopt daar ergens’. Hij helpt niet met uitzoeken. ‘Nee joh, ik pak op en neem mee. Zij is meer van: die erbij, die eraf en dan moet er nog een kaartje bij…’ Hij slaat zijn blik omhoog, maar lacht er gelaten bij. ‘Ach, je leert het wel in bijna vijftig jaar huwelijk, hoor, om geduldig te zijn. Ik ben al een poos thuis hè, ik zat bij defensie,’ verklaart hij. ‘Daar had je trouwens helemaal niets te kiezen.’

Zijn zwager zit ‘in die bollenrommel’. Zijn gekleurde bloemenvelden vindt hij wel mooi en de geur van sommige bloemen heerlijk, maar daar stopt zijn interesse.

Een scootmobiel draait de bocht om en rijdt bijna tegen twee ijzeren karren beladen met bevoorrading. ‘Oei,’ klinkt het naast de oude heer. Een gezette vrouw met een halfvolle winkelwagen naast zich, is daar zojuist gaan zitten. Ze ademt zwaar.

‘Ja, je maakt hier van alles mee,’ grinnikt de oude heer.

‘Nou, dit is voor mij het uitje van de dag, dus ik mag het wel,’ puft de vrouw.

‘O ja?’ antwoordt meneer meelevend. Twijfel op zijn gezicht of hij moet doorvragen.

Maar ze vervolgt zelf al: ‘Mijn buurvrouw haalt nu even bloemen voor me. Een schat, die doet zoveel voor me. Alleen kom ik de deur niet meer uit. Als ze zo terugkomt met die twee bossen, mag ze er één zelf houden.’

‘Dat is leuk.’

‘Ja, en dan straks thuis maar weer puzzelen hè, dan gaat de dag snel voorbij.’

‘Ah, daar is ze.’ Meneer staat snel op. Zijn vrouw komt aanlopen, met één witte roos in cellofaan met een kaartje eraan. ‘Zo, wilde het niet lukken?’ grapt hij.

‘Het is voor Sanne, ze is vijftien, die zit toch niet op een grote bos te wachten,’ antwoordt ze.

‘Nou, dan hou ik nog wat zakgeld over,’ knipoogt de man, hij tilt één elleboog op, zij steekt in. De versiering aan het cellofaan deint mee als ze gearmd weglopen.