Het is zondag namiddag, het schemert al. Op de hoek waar de Simon Smitweg de Persant Snoepweg kruist, staat een oudere mevrouw. Ze zwaait, met haar gezicht omhoog gericht naar één van de hogere verdiepingen van Verpleeghuis Leythenrode. Op de manier waarop ze zwaait, nogal wild, en door haar kleding: stevige schoenen, bruine rok en jas, klein hoedje, doet ze denken aan – niet onbetamelijk bedoeld – mevrouw de Bok (typetje van Corrie van Gorp).
Leythenrode is te ver weg en er zijn te veel ramen, om te zien of er iemand terugzwaait. Alsof ze daar zelf ook niet zeker van is, zwaait ze door. Dan loopt ze met kleine, kordate stappen naar de bushalte.

Ze heeft haar man bezocht, vertelt ze. ‘Iedere dag ga ik naar hem toe. Hij zit daar nu drie maanden en iedere dag zegt hij: ‘Kunnen we nou echt niets verzinnen Miesje, zodat ik weer naar huis kan?’ Maar dat zal nooit meer gebeuren. Hij heeft zo zwaar reuma dat hij niets meer zelfstandig kan. Met twee keer per dag thuiszorg redden we het niet meer.’
Ze staart voor zich uit, in het licht van de koplampen van passerende auto’s glinsteren kleine regendruppeltjes. ‘Moeilijk hoor,’ vervolgt ze, ‘als je gewend altijd samen te zijn. Niet klagen maar dragen zei mijn moeder altijd. Dus ik probeer dankbaar te zijn voor de vijftien jaar na mijn mans pensioen dat we dag in dag uit samen waren. We gingen er vaak op uit, naar de kinderen, of gewoon ergens een kop koffie drinken. Iedere zondag gingen we naar Noordwijk, op de boulevard wat drinken. We raakten nooit uitgepraat, maar we hadden dan ook jaren in te halen.’

Vanaf het bankje waar ze op zit, buigt ze naar voren om te checken of de bus er al aan komt. Dan vervolgt ze: ‘Mijn man was vrachtwagenchauffeur, hij reed op Europa en was alleen in de weekenden thuis. Dat waren korte weekenden, hoor. Meestal was hij vrijdags pas laat thuis en het kwam geregeld voor dat hij zondagavond alweer vertrok. Maar als hij thuis was, warmde het huis op, zo zeg ik dat altijd. Het was een hele vrolijke, zorgzame man. Nog steeds trouwens, altijd lief en bezorgd om het verplegend personeel en om mij.’
Er verschijnt een lach op haar gezicht. Voor het eerst ziet ze er wat minder zorgelijk uit.
‘Ja een fijne man, herhaalt ze. Ik vind er niet veel aan zonder hem. We zijn er allebei nog, maar moeten ieder alleen de dag door komen. Het is niet anders. Ik probeer vast te houden aan wat er nog is, aan wat we altijd gewend waren te doen. Zoals samen koffiedrinken en het zwaaien. Als hij naar zijn werk ging, reed hij nooit zomaar weg. Een kus bij de deur en dan wachtte hij tot ik voor het raam stond en dan zwaaiden we naar elkaar. Niet even de hand omhoog en dág, maar echt zwaaien, tot we elkaar niet meer konden zien. God wat heb ik in mijn leven vaak naar hem gezwaaid. En hij kwam altijd weer thuis hè.
Dus dat blijf ik doen. Ik blijf naar hem zwaaien. Tja, misschien wel omdat ik hoop dat hij ooit weer thuiskomt.’