Vanaf de boulevard kijk ik uit over het strand. De lucht is hier lichtblauw, met hier en daar een groepje wattige wolken. Als ik me omdraai richting het binnenland, is de lucht grijzer. Voor me platgetrapt zand, vol met afdrukken van profielzolen. Ik zet de mijne erbij en loop naar de zee. Niet helemaal tot waar iedereen loopt, maar iets erboven waar je schoenen nog in het zand verdwijnen.
Het is druk op het strand, maar – en dat is het fijne van het strand – je kunt er tussen al die mensen heerlijk anoniem zijn. Opvallend veel stelletjes, mutsen op, weggedoken in dikke sjaals. De enkeling die net als ik alleen loopt, heeft een hond bij zich. De meesten zijn niet te houden, ze rennen vooruit, en dartelen om- en buitelen over elkaar heen.
De zon staat hoog en werpt lange schaduwen vooruit. Er staat een snijdende tegenwind die mijn oren laat suizen, ik trek mijn sjaal wat hoger op.
Een eenzame kitesurfster worstelt met de wind. Ik blijf een poosje staan kijken. Aanvankelijk lukt het niet om van de plank tot staan te komen, maar de volhouder wint. Daar gaat ze, vanaf de branding de zee op. Vier rijen golven met woeste schuimkoppen trotserend.

Bij het Strandhuys plof ik in een loveseat bij de openhaard en bestel warme chocomelk. Naast mij delen twee oudere stellen, zeventigers, de overige loveseats. Gesoigneerde heren met ribbroeken en zegelringen, de dames in lamswollen coltrui, de haren netjes gekapt ondanks de wind. Ze stralen het Zwitserleven-gevoel uit. Als ik opsta, knikken ze me beleefd toe.

Terug buiten laat een vader zich door zijn kinderen ingraven. De moeder staat er met haar handen in haar jaszakken bij, schouders wat opgetrokken. Die heeft het koud, denk ik. Als ik haar was, zou ik me bij de mensen voegen die in een rijtje tegen het glas bij het restaurant zitten. Ogen dicht, gezicht in de zon.
Ik loop terug met de wind in de rug. Dat voelt een stuk aangenamer. Door het gemis aan wind in mijn oren, vang ik flarden van gesprekken op, gegil, geblaf.
Ik klim omhoog, langs de rij paaltjes zomaar in het zand. Of niet zomaar? Markeren ze iets, of dienen ze ter privacy? Weer op de boulevard draai ik me nog één keer om.
Dáág strand.

Ga jij weleens alleen naar het strand?