Tijd

‘Nee!’ Stuurs rijdt Nadja weg van het raam. Ze weigert nog naar buiten te kijken en rolt naar haar kamer, waar de deur met een klap achter haar dichtgaat.

Ze snapt het niet en wil het niet snappen. Het is om zes uur donker. Klaar. Zo was het vorige week en de laatste keer dat ze erop lette.

Nadja hielp met koken en terwijl ik de pasta uit de la pakte, ontglipte het me: ‘Fijn hè, het blijft alweer langer licht.’

Nadja keek eerst op haar horloge, toen naar buiten en vervolgens naar het klokje van de oven. Tien over zes. Ik zag haar denken: dit is raar. Maar, ze vermande zichzelf: ‘Hoe laat is het dan donker?’

Ik wees haar op de schemering en dat het niet lang meer zou duren. ‘Over tien minuten, zoiets.’

Ze voerde haar vaste taakjes uit: ze pakte de pan voor de pasta en de andere ingrediënten: een blik zalm, peterselie, salade, crème fraiche, maar aan haar mond zag ik dat het haar niet zinde. In korte zinnen legde ik haar uit hoe de seizoenen werken en dat het nu bijna lente is.  

‘Maar het is nog winter en dan is het om zes uur donker. Klaar!’ Ze had geen boodschap aan verdere onderbouwing. En daar ging ze.

Alleen achtergebleven in de keuken verbaas ik me er toch een beetje over dat ze het zo zwaar opneemt. Ze zíet toch dat het gewoon zo is?

Ik denk aan het gesprekje laatst toen de klok in de hal wat achterliep en ze in verwarring had gevraagd hoe laat het nou precies was, want op haar iPad stond een andere tijd dat op de klok. Toen had ik gezegd dat de iPad en mobiele telefoon altijd de juiste tijd aangeven. Een helder antwoord.

Nu begrijp ik het. Misschien heb ik haar onderschat en had ik woorden moeten gebruiken als: de stand van de zon en de maan. Want, ze kan niets met: ‘het blijft steeds een beetje langer licht.’ Te vaag. Nadja heeft overzicht nodig, duidelijkheid. Net zoals de picto’s op de dagbesteding de volgorde van de dag aangeven: eerst dit, dan dat. Het is haar houvast.

Het eten is klaar en ik klop op haar deur. Ze draait haar rolstoel naar me toe.

‘Sorry mam, ik moet er gewoon even aan wennen.’

Ik geef haar een grote knuffel. Dat ze haar emoties weet te verwoorden, vind ik dan weer heel knap.